De politieke keuzes van vandaag hebben gevolgen voor de toekomst en dus voor de toekomstige generaties, constateert de Raad van State in zijn traditionele beschouwing in het jaarverslag. De raad houdt deze keer in de beschouwing ‘Recht op de toekomst’ een pleidooi voor rechtvaardigheid over de grenzen van generaties heen.
Onderhoud en waar nodig versterking van de onze wet- en regelgeving zijn volgens de Raad van State een eerste vereiste om de rechtsstaat ook voor toekomstige generaties betekenis te geven.
Artikel 3 van het Verdrag van de Europese Unie zegt dat de EU de solidariteit tussen generaties dient te bevorderen. In verschillende uitspraken heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens lidstaten op grond van artikel 8 EVRM verplicht om maatregelen te nemen die ingezetenen moeten beschermen tegen de schadelijke gevolgen van klimaatverandering. Ook nationaal is hier al het een en ander gebeurd, stelt de Raad van State vast en noemt in dit verband de Urgenda-zaak en de klimaatzaak Bonaire van Greenpeace.
De belangen van toekomstige generaties liggen verankerd in de grondwetten van landen als België, Duitsland, Japan Noorwegen en Portugal. De Nederlandse Grondwet kent zo’n expliciete verwijzing niet, constateert de Raad van State. Bovendien is hier nauwelijks discussie over de waarde van het opnemen van een grondwetsartikel dat expliciet bescherming biedt aan toekomstige generaties. Vervolgens zorgt de Nederlandse procedure van grondwetswijzigingen ervoor dat zo’n artikel op afzienbare termijn ook niet realiseerbaar lijkt.
De Raad van State vraagt zich in zijn beschouwing af of een grondwetswijziging gericht op de belangen van toekomstige generaties eigenlijk wel wenselijk is: ‘Dient een bepaling vooral een symbolisch doel of beoogt die een juridisch-normatieve meerwaarde te creëren?’ Een andere vraag is volgens de raad welke reikwijdte zo’n ‘constitutionele verankering van intergenerationele rechtvaardigheid’ zou moeten hebben.
Indirect komt het thema intergenerationele rechtvaardigheid al wel in de Grondwet aan de orde in de sociale grondrechten in de artikelen 20 t/m 23. In al dezeartikelen gaat het over overheidszorg die zich ook tot de toekomstige generaties uitstrekt. De Raad van State zegt hierover:
Niet duidelijk is altijd waartoe de inspanningsverplichtingen van de overheid op deze terreinen precies moeten leiden. Wel is helder dat de verplichtingen om te ‘bevorderen’ en ‘zorg dragen voor’ niet in hun tegendeel mogen komen te verkeren, dat wil zeggen belemmeren, verwaarlozen of veronachtzamen.
Verder gaat de Raad van State in zijn beschouwing ook in op de vraag hoe je toekomstige generaties nu een ‘stem’ in het debat kunt geven:
Het vertrouwen dat de rechtvaardigheid over de grenzen van de generaties heen op de lange termijn geborgd wordt, is essentieel en voor overheidsbeleid onmisbaar. Voor dat vertrouwen vormt een stabiele, betrouwbare overheid, die democratisch gelegitimeerd is en zich aan het recht gebonden weet, de beste garantie.
De beschouwing ‘Recht op de toekomst’ eindigt met een oproep aan regering en parlement om over de grenzen van de huidige generaties heen zich meer rekenschap te geven van hun verantwoordelijkheid voor een leefbare wereld voor de kinderen van onze kinderen en kleinkinderen.


