Website over de 23 grondrechten in de Grondwet

Nieuws

Raad van State bepleit het recht op de toekomst

De politieke keuzes van vandaag hebben gevolgen voor de toekomst en dus voor de toekomstige generaties, constateert de Raad van State in zijn traditionele beschouwing in het jaarverslag. De raad houdt deze keer in de beschouwing ‘Recht op de toekomst’ een pleidooi voor rechtvaardigheid over de grenzen van generaties heen.

Onderhoud en waar nodig versterking van de onze wet- en regelgeving zijn volgens de Raad van State een eerste vereiste om de rechtsstaat ook voor toekomstige generaties betekenis te geven.
Artikel 3 van het Verdrag van de Europese Unie zegt dat de EU de solidariteit tussen generaties dient te bevorderen. In verschillende uitspraken heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens lidstaten op grond van artikel 8 EVRM verplicht om maatregelen te nemen die ingezetenen moeten beschermen tegen de schadelijke gevolgen van klimaatverandering. Ook nationaal is hier al het een en ander gebeurd, stelt de Raad van State vast en noemt in dit verband de Urgenda-zaak en de klimaatzaak Bonaire van Greenpeace.

De belangen van toekomstige generaties liggen verankerd in de grondwetten van landen als België, Duitsland, Japan Noorwegen en Portugal. De Nederlandse Grondwet kent zo’n expliciete verwijzing niet, constateert de Raad van State. Bovendien is hier nauwelijks discussie over de waarde van het opnemen van een grondwetsartikel dat expliciet bescherming biedt aan toekomstige generaties. Vervolgens zorgt de Nederlandse procedure van grondwetswijzigingen ervoor dat zo’n artikel op afzienbare termijn ook niet realiseerbaar lijkt.
De Raad van State vraagt zich in zijn beschouwing af of een grondwetswijziging gericht op de belangen van toekomstige generaties eigenlijk wel wenselijk is: ‘Dient een bepaling vooral een symbolisch doel of beoogt die een juridisch-normatieve meerwaarde te creëren?’ Een andere vraag is volgens de raad welke reikwijdte zo’n ‘constitutionele verankering van intergenerationele rechtvaardigheid’ zou moeten hebben.

Indirect komt het thema intergenerationele rechtvaardigheid al wel in de Grondwet aan de orde in de sociale grondrechten in de artikelen 20 t/m 23. In al dezeartikelen gaat het over overheidszorg die zich ook tot de toekomstige generaties uitstrekt. De Raad van State zegt hierover:
Niet duidelijk is altijd waartoe de inspanningsverplichtingen van de overheid op deze terreinen precies moeten leiden. Wel is helder dat de verplichtingen om te ‘bevorderen’ en ‘zorg dragen voor’ niet in hun tegendeel mogen komen te verkeren, dat wil zeggen belemmeren, verwaarlozen of veronachtzamen.

Verder gaat de Raad van State in zijn beschouwing ook in op de vraag hoe je toekomstige generaties nu een ‘stem’ in het debat kunt geven:
Het vertrouwen dat de rechtvaardigheid over de grenzen van de generaties heen op de lange termijn geborgd wordt, is essentieel en voor overheidsbeleid onmisbaar. Voor dat vertrouwen vormt een stabiele, betrouwbare overheid, die democratisch gelegitimeerd is en zich aan het recht gebonden weet, de beste garantie.

De beschouwing ‘Recht op de toekomst’ eindigt met een oproep aan regering en parlement om over de grenzen van de huidige generaties heen zich meer rekenschap te geven van hun verantwoordelijkheid voor een leefbare wereld voor de kinderen van onze kinderen en kleinkinderen.


https://www.raadvanstate.nl/jaarverslag2025/

Uitgelicht

Rechter als schuldige

In februari zette de rechter een streep door een inreisverbod voor drie conservatieve islamitische predikers dat de ministers Faber en Van Weel hadden uitgevaardigd. Minister Faber noemde de uitspraak van de rechter  'een zwarte dag’, Van Weel had het over 'een teleurstellende uitkomst'. De rechter werd in de socials zwaar onder vuur genomen.

Voorzitter Marc Flierstra van de Vereniging voor Rechtspraak hekelde in Trouw van 25 februari 2025 de reactie van beide ministers: ‘Door dit soort uitspraken denken mensen dat het door deze rechter komt dat de haatpredikers Nederland in mochten. De ministers zijn zo medeschuldig aan het creëren van een klimaat waarbij deze rechter als schuldige wordt gezien. Het probleem lag bij het besluit van de ministers. Die hebben hun huiswerk niet goed gedaan. Als je dat nalaat, moet je vervolgens niet verbaasd zijn als een rechter gewoon zijn werk doet en oordeelt: Zo kan het niet. (06.04.2025)

Bekijk oude afleveringen Uitgelicht

Nieuw verschenen

 Schimmelpeninck

Hans Verbeek

De vergeten minister-president

Hans Verbeek beschrijft het leven van Gerrit Schimmelpenninck (1794-1863), zoon van Rutger Jan Schimmelpenninck die in de Franse tijd staatshoofd van Nederland was. Zelf werd Gerrit Schimmelpenninck in 1848 de eerste minister-president van Nederland, zij het slechts twee maanden. Hij was in 1848 de grote tegenstander van Thorbecke bij het tot stand komen van de nieuwe grondwet.
Hans Verbeek wil in zijn boek het beeld nuanceren van de progressieve liberaal Thorbecke tegenover een conservatieve graaf Schimmelpenninck die niets van grondwetswijzigingen wilde weten. Aan de hand van een reconstructie van de gebeurtenissen in 1848 beschrijft Verbeek de opkomst en ondergang van deze markante man. (20.04.2026)

ISBN 9789044660586, Prometheus Amsterdam, 2026

Lees meer over nieuwe boeken!

 

Knipoog

Het voorkomen van het kwaad

Bij de behandeling van de asielwetten in de Eerste Kamer in april 2026 kwam ook de functie van de Eerste Kamer weer eens uitgebreid aan de orde. Een discussie die al in 1848 ontstond toen de liberale coryfeeën Johan Rudolph Thorbecke en Dirk Donker Curtius het volkomen oneens bleken over de toekomst van de Eerste Kamer.

Bij zijn pogingen om de Nederlandse staatsinrichting te hervormen was Thorbecke in 1848 stellig van plan om de Eerste Kamer op te heffen. Hij noemde deze ‘zonder grond en doel’.
Dat dat niet lukte, moet op het conto van minister Donker Curtius worden geschreven. In zijn biografie De man van 1848 over Dirk Donker Curtius schrijft Mathijs van de Waardt over deze kwestie (pag. 246):

Donker zocht in de Eerste Kamer een instelling voor 'bedaarde overweging'. De Eerste Kamer was 'een waarborg tegen overijling, eene beperking van hartstogten in onrustige tijden, een bolwerk voor de troon' en daarnaast 'een krachtigen steun der wet'.
Dat de Kamer zelf niet veel bewerkstelligde, maar een waarborg was, was voor Donker evident. Hij benadrukte nog eens ‘dat in het algemeen het nut eener Eerste Kamer, hoe ook zamengesteld, meer gelegen is in het voorkomen van het kwaad dan in het stichten van het goede.
(20.04.2026)

Bekijk oude afleveringen Knipoog