VVD-Kamerlid Claire Martens heeft deze zomer een initiatiefwetsvoorstel ingediend om de Politiewet zo te wijzigen dat het buitengewone opsporingsambtenaren verboden wordt om zichtbare uitingen van hun godsdienst te dragen. De Raad van State heeft kritiek op het wetsvoorstel en noemt het op belangrijke punten ontoereikend gemotiveerd.
Al een aantal jaren worden er met name vanuit de VVD pogingen ondernomen om gemeenten strengere kledingvoorschriften voor boa’s op te leggen. Zo kwam er in 2022 de (niet-bindende) Richtlijn lifestyle-neutraliteit. In 2024 wilde toenmalig minister Yesilgöz van Justitie een Algemene Maatregel van Bestuur maken om zichtbare uitingen van godsdienst in de kleding te verbieden. Volgens de Raad van State moest een dergelijke inperking van de godsdienstvrijheid niet via een AMvB maar met een formele wet worden gerealiseerd.
Via het initiatiefwetvoorstel van VVD-Kamerlid Claire Martens uit juli dit jaar moet het ‘verbod op het dragen van zichtbare uitingen van godsdienst of levensovertuiging voor geüniformeerde buitengewoon opsporingsambtenaren’ nu in de Politiewet worden opgenomen. De VVD motiveert het wetsvoorstel vooral met de vaststelling dat burgers er recht op hebben dat boa’s bij het uitoefenen van hun overheidstaak een neutrale houding en uitstraling hebben.
In zijn advies van 14 oktober 2026 noemt de Afdeling advisering van de Raad van State het voorstel in zijn huidige vorm onvoldoende onderbouwd en stelt vragen als:
- Waarom is een strikte scheiding tussen religie en staat in dit specifieke geval noodzakelijk?
- Heeft het dragen van zichtbare uitingen van godsdienst door boa's in de praktijk ergens in het land tot problemen geleid?
- Waarom volstaan minder verstrekkende alternatieven niet, zoals meer diversiteit van de uniformen?
De Raad van State wijst er verder op dat het wetsontwerp eraan voorbijgaat dat er verschillende typen boa’s zijn en dat velen van hen niet bij de politie werken. Er wordt echter niet duidelijk gemaakt waarom er voor alle boa’s zo’n landelijk verbod moet komen. Hier moet volgens de raad eerst voldoende duidelijkheid over komen, want het gaat om een inbreuk op de godsdienstvrijheid en het recht op gelijke behandeling. Letterlijk zegt de Raad van State over een mogelijke ongelijke behandeling op basis van de nieuwe wetstekst:
Hoewel het verbod geldt voor zichtbare uitingen van iedere godsdienst of levensovertuiging, zal het in de praktijk verschillend uitwerken. Tussen aanhangers van godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuigingen bestaan verschillen in de mate waarin zij religieuze symbolen of andere onderscheidingstekenen dragen. Bovendien worden er binnen godsdiensten soms verschillende kledingvoorschriften gesteld voor verschillende groepen gelovigen. Daardoor heeft het voorgestelde verbod bijvoorbeeld meer gevolgen voor vrouwelijke islamitische boa’s die een hoofddoek wensen te dragen, dan voor hun mannelijke collega’s.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast. Dit is een zogeheten dictum C, een van de vier vaste formuleringen in de adviezen van de Raad van State.


