Website over de 23 grondrechten in de Grondwet

Nieuws

Raad van State kritisch over wetsvoorstel kledingvoorschriften boa’s

 

VVD-Kamerlid Claire Martens heeft deze zomer een initiatiefwetsvoorstel ingediend om de Politiewet zo te wijzigen dat het buitengewone opsporingsambtenaren verboden wordt om zichtbare uitingen van hun godsdienst te dragen. De Raad van State heeft kritiek op het wetsvoorstel en noemt het op belangrijke punten ontoereikend gemotiveerd.

Al een aantal jaren worden er met name vanuit de VVD pogingen ondernomen om gemeenten strengere kledingvoorschriften voor boa’s op te leggen. Zo kwam er in 2022 de (niet-bindende) Richtlijn lifestyle-neutraliteit. In 2024 wilde toenmalig minister Yesilgöz van Justitie een Algemene Maatregel van Bestuur maken om zichtbare uitingen van godsdienst in de kleding te verbieden. Volgens de Raad van State moest een dergelijke inperking van de godsdienstvrijheid niet via een AMvB maar met een formele wet worden gerealiseerd.

Via het initiatiefwetvoorstel van VVD-Kamerlid Claire Martens uit juli dit jaar moet het ‘verbod op het dragen van zichtbare uitingen van godsdienst of levensovertuiging voor geüniformeerde buitengewoon opsporingsambtenaren’ nu in de Politiewet worden opgenomen. De VVD motiveert het wetsvoorstel vooral met de vaststelling dat burgers er recht op hebben dat boa’s bij het uitoefenen van hun overheidstaak een neutrale houding en uitstraling hebben.

In zijn advies van 14 oktober 2026 noemt de Afdeling advisering van de Raad van State het voorstel in zijn huidige vorm onvoldoende onderbouwd en stelt vragen als:

  • Waarom is een strikte scheiding tussen religie en staat in dit specifieke geval noodzakelijk?
  • Heeft het dragen van zichtbare uitingen van godsdienst door boa's in de praktijk ergens in het land tot problemen geleid?
  • Waarom volstaan minder verstrekkende alternatieven niet, zoals meer diversiteit van de uniformen?

De Raad van State wijst er verder op dat het wetsontwerp eraan voorbijgaat dat er verschillende typen boa’s zijn en dat velen van hen niet bij de politie werken. Er wordt echter niet duidelijk gemaakt waarom er voor alle boa’s zo’n landelijk verbod moet komen. Hier moet volgens de raad eerst voldoende duidelijkheid over komen, want het gaat om een inbreuk op de godsdienstvrijheid en het recht op gelijke behandeling. Letterlijk zegt de Raad van State over een mogelijke ongelijke behandeling op basis van de nieuwe wetstekst:
Hoewel het verbod geldt voor zichtbare uitingen van iedere godsdienst of levensovertuiging, zal het in de praktijk verschillend uitwerken. Tussen aanhangers van godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuigingen bestaan verschillen in de mate waarin zij religieuze symbolen of andere onderscheidingstekenen dragen. Bovendien worden er binnen godsdiensten soms verschillende kledingvoorschriften gesteld voor verschillende groepen gelovigen. Daardoor heeft het voorgestelde verbod bijvoorbeeld meer gevolgen voor vrouwelijke islamitische boa’s die een hoofddoek wensen te dragen, dan voor hun mannelijke collega’s.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast. Dit is een zogeheten dictum C, een van de vier vaste formuleringen in de adviezen van de Raad van State.

Uitgelicht

Rechter als schuldige

In februari zette de rechter een streep door een inreisverbod voor drie conservatieve islamitische predikers dat de ministers Faber en Van Weel hadden uitgevaardigd. Minister Faber noemde de uitspraak van de rechter  'een zwarte dag’, Van Weel had het over 'een teleurstellende uitkomst'. De rechter werd in de socials zwaar onder vuur genomen.

Voorzitter Marc Flierstra van de Vereniging voor Rechtspraak hekelde in Trouw van 25 februari 2025 de reactie van beide ministers: ‘Door dit soort uitspraken denken mensen dat het door deze rechter komt dat de haatpredikers Nederland in mochten. De ministers zijn zo medeschuldig aan het creëren van een klimaat waarbij deze rechter als schuldige wordt gezien. Het probleem lag bij het besluit van de ministers. Die hebben hun huiswerk niet goed gedaan. Als je dat nalaat, moet je vervolgens niet verbaasd zijn als een rechter gewoon zijn werk doet en oordeelt: Zo kan het niet. (06.04.2025)

Bekijk oude afleveringen Uitgelicht

Nieuw verschenen

 Schimmelpeninck

Hans Verbeek

De vergeten minister-president

Hans Verbeek beschrijft het leven van Gerrit Schimmelpenninck (1794-1863), zoon van Rutger Jan Schimmelpenninck die in de Franse tijd staatshoofd van Nederland was. Zelf werd Gerrit Schimmelpenninck in 1848 de eerste minister-president van Nederland, zij het slechts twee maanden. Hij was in 1848 de grote tegenstander van Thorbecke bij het tot stand komen van de nieuwe grondwet.
Hans Verbeek wil in zijn boek het beeld nuanceren van de progressieve liberaal Thorbecke tegenover een conservatieve graaf Schimmelpenninck die niets van grondwetswijzigingen wilde weten. Aan de hand van een reconstructie van de gebeurtenissen in 1848 beschrijft Verbeek de opkomst en ondergang van deze markante man. (20.04.2026)

ISBN 9789044660586, Prometheus Amsterdam, 2026

Lees meer over nieuwe boeken!

 

Knipoog

Het voorkomen van het kwaad

Bij de behandeling van de asielwetten in de Eerste Kamer in april 2026 kwam ook de functie van de Eerste Kamer weer eens uitgebreid aan de orde. Een discussie die al in 1848 ontstond toen de liberale coryfeeën Johan Rudolph Thorbecke en Dirk Donker Curtius het volkomen oneens bleken over de toekomst van de Eerste Kamer.

Bij zijn pogingen om de Nederlandse staatsinrichting te hervormen was Thorbecke in 1848 stellig van plan om de Eerste Kamer op te heffen. Hij noemde deze ‘zonder grond en doel’.
Dat dat niet lukte, moet op het conto van minister Donker Curtius worden geschreven. In zijn biografie De man van 1848 over Dirk Donker Curtius schrijft Mathijs van de Waardt over deze kwestie (pag. 246):

Donker zocht in de Eerste Kamer een instelling voor 'bedaarde overweging'. De Eerste Kamer was 'een waarborg tegen overijling, eene beperking van hartstogten in onrustige tijden, een bolwerk voor de troon' en daarnaast 'een krachtigen steun der wet'.
Dat de Kamer zelf niet veel bewerkstelligde, maar een waarborg was, was voor Donker evident. Hij benadrukte nog eens ‘dat in het algemeen het nut eener Eerste Kamer, hoe ook zamengesteld, meer gelegen is in het voorkomen van het kwaad dan in het stichten van het goede.
(20.04.2026)

Bekijk oude afleveringen Knipoog